Antwoord op het ultra-kapitalisme

Met de overwinning van Trump in de Amerikaanse presidentsverkiezingen lijkt het ultra-kapitalisme te hebben gezegevierd. Na 2008 werd het duidelijk dat het kapitalisme de economische macht in de wereld had, want gewone burgers hebben via hun belastingen, inflatie en vooral de lagere huizenprijzen betaald voor de bankencrisis. Daar hoor je verrassend weinig over, maar types als Bezos, Musk en vele bankiers hebben door deze crisis hun fortuin vergroot. Als een konijn uit de hoge hoed werd Musk tijdens de Trump-campagne getoverd, en dat bleek niet alleen als campagnesponsor. Voor Musk was de campagne een eenvoudige commerciële acquisitie. Vanaf zijn huidige positie kan hij het belastinggeld rechtstreeks naar zijn bedrijven laten stromen. Daarboven geeft de overwinning hem toegang tot alle overheidsinstanties van de VS. Het kapitalisme, Musk in het bijzonder, bezit nu niet alleen economische, maar ook politieke macht. De juridische macht is niet volledig in handen, maar de politieke invloed op het rechtssysteem in de VS is groot. Trump kan een langdurige impact hebben door benoemingen in het Hooggerechtshof.

Dit alles zette mij aan het denken over Marx, die al in het midden van de negentiende eeuw de gevaren van het kapitalisme voorzag. Ondanks het profetische karakter van zijn werk, verliest links de greep op de politiek volledig. Want naast een stevige grip op economie, rechtspraak en politiek, beheerst extreemrechts ook de sociale media en daarmee de informatievoorziening. Sociale media bieden informatie in hapklare brokken en zijn bovendien enorm verslavend. Zo kan Musk met ‘X’ het electoraat bezighouden en voeden met desinformatie, waardoor het proletariaat rustig blijft. Vooralsnog slikken ze zijn desinformatie als zoete koek. Het is de vraag hoe het zover heeft kunnen komen.

Ik leg de oorzaak van de huidige politieke malaise bij Reagan en Thatcher, de rechts-conservatieve politici die een kleine overheid voorstonden. Maar uiteindelijk zijn het hun linkse opvolgers geweest: Clinton, Blair en onze Wim Kok die deze politiek implementeerden. In de jaren negentig leek deze generatie politici daarvoor de ideale formule te hebben gevonden. Overheidsdiensten zoals post, telefonie en infrastructuur werden aan de markt verkocht voor bedragen die toen aanzienlijke leken. Veel van deze overheidsbedrijven werden ondergebracht in een ‘publiek-private samenwerking’. Een constructie die werd gepresenteerd als een ‘win-win’-constructie: De ‘efficiënte markt’ vervult een overheidstaak voor een bescheiden winstmarge. Ik heb er ooit een hele dag voorlichting (of zeg maar propaganda) over gehad. Maar dit neoliberalisme is uiteindelijk bezweken aan zijn eigen succes. De verkochte overheidsdiensten werden alleen maar duurder en veranderden in melkkoeien voor investeerders. Burgers bleven klant van deze bedrijven en betaalden uiteindelijk de prijs voor de inefficiëntie van publiek-private entiteiten. Er zijn uitzonderingen, maar uiteindelijk belandt iedere publiek-private instantie in handen van een ondernemer die uitsluitend winst wil maken, bedrijven uitkleedt, werknemers onderbetaalt en zelf hoge winsten opstrijkt. De Nederlandse post en de Engelse watervoorzieningsbedrijven zijn daar voorbeelden van.

Links bleef echter vasthouden aan dit model. Politici zoals Jeremy Corbyn, die verregaande renationalisatieplannen hadden, werden belasterd en buitenspel gezet. Al vóór Trump had de economische macht de overhand gekregen op de politiek. En de gewone man, de werkende klasse, betaalt de prijs voor het falen van het neoliberalisme. Dit is de directe oorzaak van het succes van het populisme. Omdat centrumrechts, het centrum én links zich verbonden met neoliberale idealen en geen klassenpolitiek voerden, voelt de werkende klasse zich in de steek gelaten. In Nederland was Wouter Bos de laatste politicus die zich nog uitsprak over de nivellering. Om terug te komen, moet de linkse politiek weer de draad oppakken. Dit keer, naar mijn mening, niet met inkomenspolitiek, maar met vermogenspolitiek: belasting op bezit. Hoe meer bezit, hoe hoger de belasting. Zoiets kan echter alleen succesvol zijn op internationaal niveau.

Internationale coördinatie is op meerdere fronten nodig. Om de strijd met het kapitaal te winnen, moet de economische macht gecontroleerd worden. In een podcast hoorde ik waarom dit in China geen probleem is: daar beheerst de politiek het economische speelveld door, zij het niet-democratisch, het bedrijfsleven te controleren. In het Westen hebben bedrijven vrij spel, met excessen zoals in de VS tot gevolg. Ik zie hier een grote rol voor de EU, die in Europa dit evenwicht kan herstellen. Momenteel is echter het omgekeerde waar: de economische lobby bepaalt het beleid van de EU. Dit moet worden omgekeerd en zou een speerpunt van linkse politiek in Europa moeten zijn.

Dit, gecombineerd met versterkte aandacht voor de werkende klasse door het stimuleren van vakbonden (het verlies van hun macht verdient een aparte bespreking) en het herverdelen van rijkdom van miljardairs naar degenen die daadwerkelijk waarde toevoegen, lijkt mij een goed plan. Een sterke linkse internationale samenwerking (waar kennen we dat toch van?) is daarbij een essentiële eerste stap.


Polarisatie als verdienmodel

Normaal luister ik als seculier en links persoon met een open blik naar ‘de Ongelooflijke’ podcasts, omdat er interessante perspectieven op de maatschappij worden gedeeld. Ik hoef het niet altijd met alles eens te zijn, zeker niet met de voorgestelde oplossingen, maar de analyses bieden vaak waardevolle inzichten. Dat lag anders bij het interview met René Cuperus, die opnieuw zijn bekende concept van ‘afgehaakt Nederland’ opvoerde als verklaring voor het succes van het populisme. Bij deze analyse zijn al vaker kanttekeningen geplaatst, maar die werden door de interviewers nauwelijks of niet aangestipt.

Het belangrijkste bezwaar is dat het onderzoek naar ‘afgehaakt Nederland’ correlaties constateert tussen opleidingsniveau, gezondheid en stemgedrag, zonder een duidelijke onderbouwing voor causale verbanden. Daarbij tonen de recente verkiezingen juist dat ook de middenklasse in groten getale stemt op partijen als de BBB en Wilders. Ook hier bleef kritiek grotendeels uit. Erger nog, Cuperus schoof de schuld voor de kloof tussen burger en politiek simpelweg af op ‘laptop-ambtenaren met spreadsheets’ en noemde het beleid te technocratisch. Maar als je niet op stikstof of CO2 wilt sturen, waar dan wél op? Zijn pleidooi voor een ’empathische beweging’ klinkt nobel, maar biedt geen concreet antwoord op bijvoorbeeld de klimaatcrisis.

Er kwam gelukkig enig tegengas van Stefan (lof daarvoor), met het voorbeeld van natuurliefhebbers die de afname van soorten zien en transgenders die worstelen met maatschappelijk isolement. Maar dit werd weer afgedaan met een karikaturale opmerking over genderneutrale toiletten. Dat soort reacties doet je afvragen hoe serieus dit debat eigenlijk is. Tegelijkertijd beweerde Cuperus dat het aanstippen van problemen radicalisering zou veroorzaken – terwijl het gebrek aan daadkracht (zeker rond stikstof) eerder het probleem lijkt te zijn. Hoe wil hij het klimaatprobleem oplossen zonder CO2-reductie?

Tot slot kreeg Cuperus ruim baan om uit te halen naar de islam en immigratie. Hij vond de ‘allergie’ voor de islam onvoldoende en hekelde opnieuw aanslagen en radicalisering. Impliciet leek hij te suggereren dat Syrische vluchtelingen teruggestuurd moeten worden. Vervolgens stelde hij dat christenen en moslims juist samen religie een plek in de democratie zouden moeten geven. Hij ging gemakshalve voorbij aan te geven waarom seculieren niet in een dialoog moeten met de Islam, waarom alleen de Christenen (antwoord: de tegenstelling gelovig – ongelovig moet in stand blijven).

Wat schort er nu aan deze analyse? Simpel gezegd: Cuperus plaatst alles in polariserende kaders. De hoogopgeleiden tegenover de praktisch opgeleiden, technocraten tegenover de ’empathische mens’, ‘normale’ mensen tegenover de LGBTQ+-gemeenschap, boeren tegenover politici, immigranten tegenover burgers, en Nederlanders tegenover de islam. Het hele verhaal leunt op polarisatie en positioneert de populistische kiezer voortdurend als slachtoffer. Maar je kunt stemmen op een extreemrechtse of neo-fascistische partij niet rechtvaardigen met algemeen ongenoegen. En je kunt ambtenaren niet de schuld geven van beleid dat politieke keuzes weerspiegelt.

Het werkelijke probleem is de teloorgang van een mentaliteit juist in de politiek waarin naar gezamenlijke oplossingen wordt gezocht. Vroeger bood bijvoorbeeld de Sociaal-Economische Raad een platform voor dialoog tussen verschillende partijen. Tegenwoordig zouden burgerraden dat kunnen doen. Maar mensen zoals De Voogd en Cuperus dragen hier niet aan bij. Hun succes steunt op het voeden van polarisatie. En juist van een podcast als ‘De Ongelooflijke’ verwacht ik dat hier steviger op wordt gereageerd – al deed Stefan Paas zeker een goede poging.